Een staat van tegen

De wekker gaat. Even is er een moment van leegte, van ruimte, van leven zonder dat er “iemand” is die dit leven leeft, en dan wordt de stem in mijn hoofd wakker. De “lever” van dit leven begint zich te roeren. Het begint met een “Nee, hè, ik moet vandaag dit en dat doen, die en die bellen en ik heb daar zó geen zin in”. Tijdens het douchen loop ik een rijtje van mensen langs en er start een denkproces over wat ze allemaal niet goed doen in mijn ogen, wat ze niet snappen, wat ze niet zien, wat ze mij aandoen. En ik merk dat mijn lichaam daarop reageert. Ik voel me boos, verdrietig, geërgerd, genegeerd. “Als hij nou eens zo deed, dan….als zij nou eens niet zo zou zeuren, dan…..” als, als,als. En onder de douche weet ik het allemaal beter. Ik vind dat ik hele briljante dingen vind en ik stel tevreden vast dat ik niet zo dom, ongeïnteresseerd, slap en onnadenkend ben als de anderen. Zo begint deze dag.

Ik word in beslag genomen door de stem in mijn hoofd, de steeds maar gaande stroom van gedachten en emoties. Ik realiseer me: al mijn gedachten, al mijn emoties zijn een verzameling van mijn ervaringen in het verleden. Een bundel van herinneringen waar ik “IK” tegen zeg en waarmee ik mezelf betekenis geef, een plek maak voor mezelf. Die IK leeft van de identificatie met dat hele pakket. Die IK voert een strijd om te overleven. Die IK ziet veel fouten bij anderen, zodat ze niet zo naar zichzelf hoeft te kijken.

Waarom doe IK dat toch?

Als IK anderen bekritiseer of over anderen klaag, dan voel IK mezelf groter, beter, sterker. IK doe het dus goed en anderen snappen er niets van. Wanneer IK in zo’n staat van kritiek verkeer, neemt ego het over.

Ik hoor mezelf praten, ik hoor de klagerige, ontevreden, mopperige toon in mijn stem. IK geloof erg in het verhaal wat IK uit de doeken aan het doen ben. Het liefst tegen een ander, iemand die mij gelijk kan geven, die het met mij eens kan zijn, iemand die een bijdrage kan leveren aan het vergroten van mijn IK. Klagen over anderen is een gewoontepatroon, IK doe het al zolang ik me kan herinneren. Soms hardop en vaak alleen in mijn hoofd.

Ergens houd IK ervan. IK houd ervan om anderen af te keuren, om me afgewezen te voelen, gekwetst te voelen om dan vervolgens de ander af te kunnen keuren. En dat kan echt over van alles gaan: “waarom koop je toch zo’n auto, hoe kun je dát nou zeggen, waarom heb jij mij niet gebeld, rij eens een beetje door slome, wie denkt hij wel dat hij is, kom nou toch, hoe dúrf je……………IK houd er ook van om te klagen over situaties en ze af te wijzen: “dit zou niet mogen gebeuren, IK wil hier niet zijn, IK wil dit niet doen, IK word oneerlijk behandeld”. Ergens vind IK het heerlijk om beledigd te worden en geniet IK ervan om iets of iemand fout te maken. IK doe het bij onbekenden maar ook bij dierbaren, mensen waar IK van houd. Ook hen keur IK af, wat ze doen, wat ze niet doen, wat ze ooit deden, wat ze vinden, welke keuzes ze maken.

IK wil niet écht verandering, IK wil het liefst doorgaan met kritiek hebben. En mezelf kwaad (laten) maken. Het lijkt wel of IK wacht op het volgende wat voorbij komt om op/tegen te reageren, om me weer aan te ergeren. En het duurt nooit lang voordat IK het vind. Het lijkt wel of IK op een bepaalde manier verslaafd ben aan boosheid en ergernis. IK ben in een permanente staat van tegen.
En het valt me op hoe negatief het allemaal is. Het is allemaal NIET goed. Het moet anders. Anderen moeten anders, de situatie moet anders. En zolang alles niet anders is, houd ik mezelf voor dat IK beter, krachtiger, slimmer en aantrekkelijker ben dan de ander. Kijk, IK ben tenminste iemand die ………….vul maar in.

En op de momenten dat IK me minder voel dan de ander, dat gebeurt vaak, hanteer IK een andere strategie. IK richt dan mijn energie op de aspecten van de ander die dan weer minder zijn dan bij mij. Heb IK tóch weer gewonnen. En dat gebeurt allemaal in mijn hoofd.
En het voelt niet goed, het klopt niet. Ondanks alle pogingen van IK om zichzelf beter te voelen, voel IK me niet beter en al helemaal niet gelukkiger. Het is op zijn best een tijdelijk gevoel van goed of gelukkig. Proberen om het niet meer te doen, om niet meer zo te denken, werkt niet. Het is IK die dat dan weer aan het proberen is. Ik kan niet tegen ego vechten en winnen (en wie is dát dan die dat wil?).

Wat werkt als IK in een staat van tegen ben, is het doel van mijn bewegingen te zien. Om te zien dat het een manier is om mijn IK in leven te houden. In het zien hiervan zit de bevrijding. Het verleden houdt me niet tegen om te zijn wie ik ben in het NU. Alleen mijn hechting aan het verleden maakt het onmogelijk. IK kan alleen overleven als IK mezelf omlijn, anders maak, afgescheiden denk. Door anderen te bekritiseren, heb IK het idee dat IK goed ben, en de ander of de situatie dus fout. Om goed te zijn, moet een ander fout zijn. Het enige wat ik kan doen, is kijken naar de manier waarop IK denk, praat en doe.

Terwijl ik dit schrijf, ben ik me opnieuw bewust van de bewegingen en beweegredenen van ego. Het is niet persoonlijk. Het gaat niet over mij of de ander. Ik ben niet het uitgangspunt. Ik ben veel ruimer, wijzer, liefdevoller, toleranter dan het IK-pakketje. En dat geldt voor iedereen. Nu ik het licht van bewustzijn kan laten schijnen op het gedoe van ego, is er een keuze om niet te reageren. Ik kan over ego heen kijken, of door ego heen kijken. Ik realiseer me dat ik niet de stem in mijn hoofd ben, maar degene die er bewust van is. Ik ben het gewaarzijn die gewaar is van de stem. Ik zie dat op de voorgrond ego probeert te overleven. Vanuit de achtergrond, vanuit het gewaarzijn, kan ik dat goed zien en voel ik mededogen voor de pogingen van ego. In contact met dit gewaarzijn houdt elke vergelijking op, het goed of fout zijn, het meer of minder zijn, daar is ongeconditioneerd bewustzijn, daar is geen twee, daar is één, daar is het leven zelf.

Vivá

Eef Bruggink

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.